maartdag

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • maart·dag
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord maartdag maartdagen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

maartdag m [1]

  1. dag in de derde maand van het jaar
    • Nu zijn vrouw en kinderen zich op deze maartdag eindelijk mogen inschrijven bij de gemeente Den Haag, kan het gezin pas echt beginnen met het opbouwen van een leven in dit vreemde land. [2] 
    • Vanwege de kou wordt er momenteel meer gestookt dan in deze tijd van het jaar gebruikelijk is. Na 20 maartdagen stond de teller van Gasunie op 7,52 miljard kuub gas. „Dat is een miljard meer dan gemiddeld en daarmee zitten we nog maar iets onder het recordniveau van maart 1996”, zegt een woordvoerder van de energietransporteur. [3] 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid


Verwijzingen