datum

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • da·tum
Woordherkomst en -opbouw
  • Van het Latijnse "datum" (wat gegeven is)
enkelvoud meervoud
naamwoord datum data, datums
verkleinwoord datumpje datumpjes

Zelfstandig naamwoord

datum m

  1. (tijdrekening) een tijdsaanduiding die bestaat uit een dag(nummer), een maand en een jaar
    • De datum waarop de brief geschreven was is 11-04-1933. 
    • De ISO-8601 notering van de datum 28 juli 2016 is 2016-07-28 of 2016-W30-4 
Synoniemen
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Hyponiemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie