levensdag
Uiterlijk
- le·vens·dag
- samenstelling van leven en dag met het invoegsel -s-
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | levensdag | levensdagen |
| verkleinwoord |
de levensdag m
- een dag van iemands leven
- Indien er zich complicaties voordoen, kan de arts beslissen om de tandjes na de tiende levensdag te verwijderen.[1]
- In deze periode worden er veel dieren geboren en een loslopende hond kan een gevaar zijn voor de kwetsbare beestjes. Zo liggen reekalveren in hun eerste levensdagen heel stil in het gras of tussen de bladeren en struiken in het bos.[2]
- Het woord levensdag staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "levensdag" herkend door:
| 94 % | van de Nederlanders; |
| 91 % | van de Vlamingen.[3] |
- ↑ Tubantia Karen Van Eyken 27-02-17
- ↑ de Standaard 26/04/2017 door gjs, jvt
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be