inhaaldag

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·haal·dag
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord inhaaldag inhaaldagen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

inhaaldag m

  1. een dag waarop men iets doet, wat men door omstandigheden op een eerdere dag niet kon doen
    • De broertjes Albert en Douwe Visser hebben gisteren de twee wedstrijden in het Friese Woudsend tijdens de Friese skûtsjesilen kampioenschappen gewonnen. Op deze inhaaldag finishte bij de eerste race Albert, met zijn skûtsje Drachten, als eerste. Tijdens de tweede wedstrijd in de middag, was favoriet Douwe Visser van de Sneek weer de snelste. Douwe kan de winst voor het kampioenschap nu bijna niet meer ontgaan.[1] 
    • Komende weekeinde zullen er naar alle waarschijnlijkheid wederom veel wedstrijden worden afgelast. De eerste inhaaldag in 2018 is pas op 27/28 april 2018.[2] 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. de Telegraaf 31 jul. 2013
  2. Tubantia Raymond Willemsen 13-DECEMBER-2017