regendag

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

regendag
Uitspraak
Woordafbreking
  • re·gen·dag
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord regendag regendagen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

regendag m [1]

  1. een dag waarop het veel regent
    • Tegelijk hoeven we niet te vrezen voor meer regendagen. De nattigheid komt vaker met bakken tegelijk en je moet maar net op de verkeerde plek zitten.[2] 
    • De Duitse reisorganisatie Deutscher Wetterschutz (letterlijke vertaling weerberscherming) geeft bij minder dan drie uur zon per dag - dan wordt er uitgegaan van een regendag - veertig procent terug van de prijs van een overnachting.[3] 
Anagrammen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf KOEN NEDERHOF 31 aug. 2017 Nederland wordt natter
  3. de Telegraaf 01 jul. 2013 Slecht weer? Geld terug!