daggeld

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dag·geld
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord daggeld daggelden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

daggeld o

  1. (economie) geld dat binnen een dag verdiend wordt
  2. (financieel) zeer kortlopende geldelijke lening die bovendien op elk moment opvraagbaar is
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
77 % van de Vlamingen.