julidag

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ju·li·dag
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord julidag julidagen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

julidag m [1]

  1. dag in de zevende maand van het jaar
    • Op zijn thuisbaan in Lichtenvoorde werd hij die julidag voor de tweede keer wereldkampioen. [2] 
    • Donderdag ging ook de boeken in als de warmste julidag ooit sinds het begin van de metingen. In Maastricht werd donderdagmiddag 37,3 graden gemeten. [3] 
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

76 % van de Nederlanders;
79 % van de Vlamingen.

Verwijzingen