vakantiedag
Uiterlijk
- Geluid: vakantiedag (hulp, bestand)
- IPA: / vaˈkɑn(t)siˌdɑx / (4 lettergrepen)
- va·kan·tie·dag
- samenstelling van vakantie en dag
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | vakantiedag | vakantiedagen |
| verkleinwoord | vakantiedagje | vakantiedagjes |
de vakantiedag m
- een dag dat je niet hoeft te werken maar waarop het loon wel wordt doorbetaald
- Iedere werknemer heeft recht op 20 vakantiedagen bij een volledige baan.
- Er zijn verplichte vakantiedagen en vakantiedagen die men vrij kan opnemen.
- Het woord vakantiedag staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "vakantiedag" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
| 100 % | van de Vlamingen.[1] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 11
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 4 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Samenstelling in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 100 %
- Prevalentie Vlaanderen 100 %