vijfdaags

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vijf·daags
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen vijfdaags
verbogen vijfdaagse
partitief vijfdaags

Bijvoeglijk naamwoord

vijfdaags [1]

  1. van iets dat het 5 dagen duurt
    • De wielrenner van UAE Emirates was in een massasprint de Italiaan Andrea Guardini en de Australiër Caleb Ewan de baas. De dertigjarige Noor gaat ook aan de leiding in het algemeen klassement van de vijfdaagse etappekoers, een wedstrijd uit de UCI WorldTour.[2] 
    • Personeel dat via Samenvijf wordt gedetacheerd krijgt bij een fulltimebaan voor een vijfdaagse werkweek betaald. Ze werken echter maar vier dagen bij hun opdrachtgever. Op de vijfde dag mogen ze zich voor een zelf gekozen maatschappelijk doel inzetten.[3] 
    • Ik wilde me op onze relatie focussen.” Daar kreeg het tweetal gelegenheid voor tijdens een vijfdaagse vakantie in Botswana.[4] 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf 21 feb. 2018
  3. de Telegraaf GABI OUWERKERK 23 jan. 2018
  4. de Telegraaf 27 nov. 2017