alledaags

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • al·le·daags
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstellende afleiding van al en dag met het invoegsel -e- met het achtervoegsel -s
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen alledaags alledaagser alledaagst
verbogen alledaagse alledaagsere alledaagste
partitief alledaags alledaagsers -

Bijvoeglijk naamwoord

alledaags

  1. gewoon, normaal, niet bijzonder
    • De beroemde artiest bleef een alledaags meisje dat normaal bleef doen zonder sterallures en dat wat eigenlijk ook heel bijzonder. 
     Het was te ver verwijderd van de alledaagse werkelijkheid en de realiteit van menselijke emoties, behoeftes en imperfecties.[1]
     Uit elk rimpeltje op haar alledaagse gelaat sprak opeens medelijden.[2]
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Bijvoeglijk naamwoord

alledaags

  1. partitief van de stellende trap van alledaags
    • Dat is iets alledaags... 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Suzanne Vermeer op WikipediaAll-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be