aanstaande

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·staan·de
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aanstaande aanstaanden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

aanstáánde v/m

  1. verloofde
    • Hij wou graag met zijn aanstaande op vakantie. 

Bijvoeglijk naamwoord

áánstaande

  1. verbogen vorm van de stellende trap van aanstaand
    • Wij gaan aanstaande zondag naar Deventer om de wedstrijd te zien. 
     Aangezien de tweeling vrijdagavond steevast bloednerveus werd vanwege de aanstaande cadeautjes en het partijtje, sliep niemand die nacht fatsoenlijk.[2]

aanstáánde

  1. verbogen vorm van de stellende trap van aanstaand bij plaatsing achter een zelfstandig naamwoord dat een datum aanduidt
    • Zondag aanstaande ga ik naar de verjaardag van mijn moeder. 

Werkwoord

vervoeging van: aanstaan
verbogen vorm: aanstaandee

áánstaande

  1. verbogen vorm van aanstaand, het onvoltooid deelwoord van áánstaan
    • Door de aanstaande radio kon ik niet verstaan wat ze zei. 
    • De haar nog het meest aanstaande schoenen waren veel te duur. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. aanstaande op website: Etymologiebank.nl
  2. Suzanne Vermeer op WikipediaAll-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be