aanstaande

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·staan·de
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aanstaande aanstaanden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

aanstáánde v/m

  1. verloofde
    • Hij wou graag met zijn aanstaande op vakantie. 

Bijvoeglijk naamwoord

áánstaande

  1. verbogen vorm van de stellende trap van aanstaand
    • Wij gaan aanstaande zondag naar Deventer om de wedstrijd te zien. 

aanstáánde

  1. verbogen vorm van de stellende trap van aanstaand bij plaatsing achter een zelfstandig naamwoord dat een datum aanduidt
    • Zondag aanstaande ga ik naar de verjaardag van mijn moeder. 

Werkwoord

áánstaande

  1. verbogen vorm van het onvoltooid deelwoord aanstaand van aanstaan
    • Door de aanstaande radio kon ik niet verstaan wat ze zei. 
    • De haar nog het meest aanstaande schoenen waren veel te duur. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen