tijd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tijd
Woordherkomst en -opbouw
Middelnederlands: tijt
Oudnederlands: tīt
in de betekenis van ‘moment’ voor het eerst aangetroffen in de Wachtendonckse Psalmen op Wikipedia (nl) (10e eeuw) [1]
Germaans: *tīðiz
Indo-Europees: *dih₂-ti-
  • Verwant in Germaans:
West: Duits: Zeit (Oudhoogduits: zīt), Nederduits: Tied (Oudsaksisch: tīd), Engels: tide ‘getij’ (Oudengels: tīd), Fries: tiid (Oudfries: tīd)
Noord: Zweeds/Deens/Noors: tid (Oudnoords: tíð)
enkelvoud meervoud
naamwoord tijd tijden
verkleinwoord tijdje tijdjes

Zelfstandig naamwoord

tijd m

  1. de onstuitbare gang der dingen van toekomst door het heden naar het verleden
    • Doorheen de tijd heeft de aarde al heel wat evoluties meegemaakt. 
  2. de tijd: de rust
    • Je moet hem even de tijd gunnen om dit werk af te maken. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Hyponiemen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Bijwoord

tijd

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen