Naar inhoud springen

tijd

Uit WikiWoordenboek

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tijd
Woordherkomst en -opbouw
Middelnederlands: tijt
Oudnederlands:  tīt  
in de betekenis van ‘moment’ voor het eerst aangetroffen in de Wachtendonckse Psalmen op Wikipedia (nl) (10e eeuw) [1]
Germaans: *tīðiz
Indo-Europees: *dih₂-ti-
  • Verwant in Germaans:
West: Duits: Zeit (Oudhoogduits: zīt), Nederduits: Tied (Oudsaksisch: tīd), Engels: tide ‘getij’ (Oudengels: tīd), Fries: tiid (Oudfries: tīd)
Noord: Zweeds/Deens/Noors: tid (Oudnoords: tíð)
enkelvoud meervoud
naamwoord tijd tijden
verkleinwoord tijdje tijdjes

Zelfstandig naamwoord

de tijdm

  1. onstuitbare gang der dingen van toekomst door het heden naar het verleden
    • Doorheen de tijd heeft de aarde al heel wat evoluties meegemaakt. 
     Ze zeiden dat het de koudste winter sinds honderd jaar was of in elk geval zo ver terug in de tijd als iemand zich kon herinneren. Het kwik daalde soms tot rond de -40, hoewel de wind minder erg was dan daarboven op de vlakte.[2]
  2. duur van de gelegenheid om iets te doen
    • Je moet hem even de tijd gunnen om dit werk af te maken. 
     Geen tijd meer om van de top af te komen.[3]
  3. (sport) gemeten duur waarbinnen een bepaalde prestatie is geleverd als maatstaf voor succes
    • De wielrenner heeft ondanks zijn blessure een goede tijd gereden. 
     De estafettezwemsters bereikten de finale van de 4 x 100 meter vrije slag met de tweede tijd, achter Australië.[4]
  4. bepaalde periode waarin iets gebeurt
    • Het voorjaar is een goede tijd het huis schoon te maken. 
     Dan kan hij er staan en zeggen dat hij zich in deze moeilijke tijden et cetera et cetera toch heeft opgeofferd uit liefde voor zowel zijn dochter als de tradities van zijn geslacht.[2]
  5. bepaald moment waarop iets gebeurt
    • Het is nu tijd om te beginnen. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Hyponiemen
Verwante begrippen
Typische woordcombinaties
  • er zit een mooie tijd aan te komen
Uitdrukkingen en gezegden
Spreekwoorden
Vertalingen

Bijwoord

tijd

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "tijd" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. 2,0 2,1
    Jan Guillou (vert. Bart Kraamer)
    “Kop in het zand” (2015), Uitgeverij Prometheus op Wikipedia, ISBN 9789044628142
  3. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  4. Bronlink geraadpleegd op 29 juli 2023 Weblink bron “De belangrijkste prestaties van Team NL op zaterdag 24 juli” (24 juli 2021) op nrc.nl op Wikipedia
  5. “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 15
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be