generatie

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·ne·ra·tie
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord generatie generaties
verkleinwoord generatietje generatietjes

Zelfstandig naamwoord

generatie v

  1. (tijdrekening), (eenheid) periode van 25 jaar
  2. alle individuen die via hetzelfde aantal tussenstappen van één bepaald individu afstamt
  3. alle personen die min of meer tegelijkertijd geboren zijn
    • De mannen van die generatie zijn in groten getale omgekomen in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog. 
     'Maar de jonge generatie chauffeurs gaat liever naar McDonald's.'[2]
  4. (techniek) de apparatuur die kenmerkend is voor een bepaald beperkt tijdsbestek
  5. het genereren, voortbrengen van iets
    • De generatie van energie met de zon als bron staat erg in de belangstelling. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen