dagen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • da·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
dagen
daagde
gedaagd
zwak -d volledig

Werkwoord

dagen

  1. (onpersoonlijk) dag worden
    • Het daagde al in het oosten toen hij eindelijk in slaap viel. 
  2. overgankelijk (juridisch) dagvaarden: de opdracht geven op een bepaalde dag voor het hof te verschijnen
    • Hij werd voor de rechtbank gedaagd. 
  3. absoluut beginnen te beseffen, beginnen bewust te worden
    • Toen begon er iets bij hem te dagen. 
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

dagen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord dag
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.


Deens

Uitspraak
Woordafbreking
  • da·gen
Naar frequentie 569

Zelfstandig naamwoord

dagen

  1. nominatief bepaald gemeenschappelijk geslacht enkelvoud van dag


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

dagen

  1. meervoud van dag


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • da·gen
Naar frequentie 355

Zelfstandig naamwoord

dagen

  1. nominatief bepaald mannelijk enkelvoud van dag


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • da·gen

Zelfstandig naamwoord

dagen

  1. nominatief bepaald mannelijk enkelvoud van dag


Veluws

Zelfstandig naamwoord

dagen

  1. meervoud van dag


Zweeds

Uitspraak
Naar frequentie 495

Zelfstandig naamwoord

dagen

  1. nominatief bepaald gemeenschappelijk geslacht enkelvoud van dag