Naar inhoud springen

dagen

Uit WikiWoordenboek
  • da·gen
  • In de betekenis van ‘oproepen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
dagen
daagde
gedaagd
zwak -d volledig

dagen

  1. onpersoonlijk dag worden
    • Het daagde al in het oosten toen hij eindelijk in slaap viel. 
  2. overgankelijk (juridisch) dagvaarden: de opdracht geven op een bepaalde dag voor het hof te verschijnen
    • Hij werd voor de rechtbank gedaagd. 
  3. absoluut beginnen te beseffen, beginnen bewust te worden
    • Toen begon er iets bij hem te dagen. 

dedagenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord dag
     Snelbussen ingezet: Dit weekend worden tussen Groningen en omliggende stations snelbussen ingezet. In de meeste richtingen rijden vanaf maandag weer treinen, maar van 14 juni tot en met 12 juli gaat het station opnieuw dicht. Op de laatste dagen wordt in vrijwel de hele provincie het treinverkeer stilgelegd.[2]
     Ze ging naar de zonsondergang kijken vanuit het water, maar kwam er niet meer uit door de sterke stroming. Haar lichaam werd pas dagen later gevonden.[3]
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[4]
  1. "dagen" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink geraadpleegd op 10 mei 2025 Weblink bron “Station Groningen ruim twee maanden dicht vanwege verbouwing” (10 mei 2025), NOS
  3. Bronlink Weblink bron “Dit moet je weten over een mui, een plek die je de zee in kan sleuren”, NOS-stories
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
  • da·gen
Naar frequentie 569

dagen

  1. nominatief bepaald gemeenschappelijk geslacht enkelvoud van dag

dagen

  1. meervoud van dag
  • da·gen
Naar frequentie 355

dagen

  1. nominatief bepaald mannelijk enkelvoud van dag
  • da·gen

dagen

  1. nominatief bepaald mannelijk enkelvoud van dag

dagen

  1. meervoud van dag
Naar frequentie 495

dagen

  1. nominatief bepaald gemeenschappelijk geslacht enkelvoud van dag