tuindag

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tuin·dag
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tuindag tuindagen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

tuindag m [1]

  1. dag dat men in de tuin werkt
    • Drie dagen in de week werkt Anneke van der Straaten (39) als zelfstandig industrieel ontwerper vanuit haar werkkamer thuis, maar maandag is haar ‘tuindag’. Dan fietst ze naar Eck en Wiel, een dorpje aan de Lek, waar ze als hovenier een stuk van een hectare onderhoudt. [2] 
    • De familie Bac komt elk jaar bij elkaar in het ouderlijk huis in Bleiswijk. Niet alleen om bij te kletsen en te eten, maar ook om de handen uit de mouwen te steken. In 2005 had de man van Maartje Bac-van der Spek (62) het erg druk en ontbrak hem de tijd om de bijna 1500 vierkante meter grote tuin rondom het huis grondig onder handen te nemen. Het echtpaar plande daarom een tuindag, samen met de gezinnen van hun vijf kinderen. [3] 
  2. dag dat de tuin open is voor bezoekers
    • Tuindagen op landgoed Vollenhoven. De Engelse tuin heeft op kleur ingeplante borders en moestuinen met vele oude, en vergeten groenten en velden. Bovendien is een bezoek aan het koetshuis en de oranjerie mogelijk. Adres: Utrechtseweg 59, Utrecht. Tijd: 23, 24, 25 juni: 10.00-17.00 uur. Entree: €6,50, tot 12 jaar gratis. [4] 

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Tubantia Jette Pellemans 05-07-18 Zij combineren twee banen. Omdat ze dat leuk vinden
  3. Reformatorisch Dagblad Gert de Looze 16-05-2013 Familie Bac maakt de tuin winterklaar tijdens familiedag
  4. De Telegraaf GHISLAINE DRUNEN, VAN 21 jun. 2012 Last minutes: tips voor de late beslisser