week

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • week
enkelvoud meervoud
naamwoord week weken
verkleinwoord weekje weekjes

Zelfstandig naamwoord

[A] week v/m

  1. (tijdrekening), (eenheid) tijdseenheid van 7 dagen, meestal beginnend op maandag of zondag [1]
    In China wordt elke week een kolencentrale gebouwd.
Meroniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord week
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

[B] week o

  1. een week gedeelte.
    Het is principieel onmogelijk een weersverwachting te maken op een termijn van meer dan twee weken.
Opmerkingen
  • Alleen de tijdsaanduidingen op -r blijven na een bepaald telwoord in het enkelvoud: drie uur, drie jaar; maar: drie dagen, drie weken, drie maanden.
Typische woordcombinaties
  • met drie weken verlengd
  • zes weken geleden
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen week weker weekst
verbogen weke wekere weekste

Bijvoeglijk naamwoord

week [2]

  1. zonder weerstandsvermogen of veerkracht
    Peren: Gebruik voor het invriezen stevige, in ieder geval niet te weke vruchten.
  2. gevoelig voor emoties.
    Hij pakte mijn hand, ik werd helemaal week vanbinnen.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
weken

week

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van weken
    Ik week.
  2. gebiedende wijs van weken
    Week!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van weken
    Week je?

Werkwoord

vervoeging van
wijken

week

  1. enkelvoud verleden tijd van wijken
    Ik week.
    Jij week.
    Hij, zij, het week.

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. etymologiebank.nl


Engels

enkelvoud meervoud
week weeks

Zelfstandig naamwoord

week

  1. week (tijdseenheid van 7 dagen).