sportdag

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sport·dag
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord sportdag sportdagen
verkleinwoord sportdagje sportdagjes

Zelfstandig naamwoord

sportdag m

  1. Een dag waarop de normale werkzaamheden niet worden verricht maar gesport wordt door personeel of leerlingen vaak ook bedoeld voor het maken van informele contacten.
    • Tijdens de sportdag kunnen de leraren vergaderen 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie