fietsdag

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fiets·dag
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord fietsdag fietsdagen
verkleinwoord fietsdagje fietsdagjes

Zelfstandig naamwoord

fietsdag m

  1. dag dat men fietst
    • De tocht - elke fietsdag 70 tot 150 kilometer - ging over hoge bergen, door bloedhete woestijnen, over brede snelwegen en smalle vluchtstroken, verborgen landweggetjes en door rijstvelden.Marica sliep in hotels, bij mensen thuis of kampeerde in het wild. En ze legde zichzelf een dagbudget van 20 euro op. [1] 
    • De VVV Twenterand houdt op zaterdag 12 mei een fietsdag. Daarbij wordt de nieuwe Karrenspoorfietsroute ten doop gehouden. Deze route heeft een lengte van 40 kilometer. [2] 
    • De eerste fietsdag is dinsdag. Er kan gekozen worden uit routes over 30, 45 en 65 kilometer. Het is daarbij mogelijk om slechts één dag mee te doen, of twee en bovendien kan per dag een andere afstand worden gereden. [3] 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Verwijzingen