Naar inhoud springen

daglicht

Uit WikiWoordenboek
  • dag·licht
enkelvoud meervoud
naamwoord daglicht -
verkleinwoord

hetdaglichto

  1. licht van de zon dat overdag de wereld verlicht
    • Bij daglicht zijn kleuren veel beter te zien. 
     De diarreeaanval had als een sluipmoordenaar in vol daglicht toegeslagen.[1]
     Hijgend probeerde ze op adem te komen, terwijl ze haar blik over de bossen aan de andere kant van de vallei liet glijden, de bomenrij die steeds zwarter werd, terwijl het laatste daglicht in een rokerige lucht verdween.[2]
     Hun kip was dan ook geen honderdtien maar veertig dagen oud, had nooit daglicht gezien, zat onder de verwondingen van zijn soortgenoten en kon nauwelijks op zijn poten staan.[3]
  • dat kan het daglicht niet verdragen
dat is verboden en moet dus verborgen blijven
  • iemand in een kwaad daglicht stellen
zeggen dat iemand dingen doet die fout zijn (en dus het daglicht niet kunnen verdragen
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[4]
  1. All-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht op Wikipedia, ISBN 90-229-9182-2
  2. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  3. Manik Sarkar
    “Ossenkop” (2024), Hollands Diep, ISBN 9789048862696
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be