ochtend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • och·tend
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘(vroege) morgen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1351 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord ochtend ochtenden
verkleinwoord ochtendje ochtendjes

Zelfstandig naamwoord

ochtend m

  1. (tijdrekening) deel van de dag tussen 6.00 en 12.00 uur
    • Om 6 uur begint de ochtend of de avond.[2] 
  2. (tijdrekening) de tijd rond of kort na het opstaan
    • Ik ben in de ochtend nooit op mijn best. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen