eenheid

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • een·heid
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘hecht samenhangend geheel’ voor het eerst aangetroffen in 1461 [1]
  • Afgeleid van een met het achtervoegsel -heid.
enkelvoud meervoud
naamwoord eenheid eenheden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

eenheid v

  1. bij elkaar horend geheel met kenmerkende eigenschappen.
    • Deze mensen werden door deze dreiging tot een eenheid samengesmeed met gemeenschappelijk doel. 
    • De mobiele eenheid (ME) is een groep politieagenten die als geheel op verschillende plekken kan worden ingezet bij de bestrijding van rellen. 
  2. het gevoel dat je met velen één bent
     Nationale eenheid is nou eenmaal makkelijker te vangen in termen als democratie en vrijheid, dan in de persoon van een bolwangige veertiger.[2]
  3. maat waarin hoeveelheden worden uitgedrukt.
    • De coulomb is de eenheid van lading. 
  4. woonruimte
    • De lounge is een vrijstaande eenheid. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

  • Zie de doorverwijspagina op Wikipedia voor meer informatie.

Verwijzingen


Afrikaans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
naamwoord eenheid eenhede

Zelfstandig naamwoord

eenheid

  1. eenheid