Naar inhoud springen

maandag

Uit WikiWoordenboek
  • maan·dag
enkelvoud meervoud
naamwoord maandag maandagen
verkleinwoord maandagje maandagjes

demaandagm

  1. (tijdrekening), (dag) een dag van de week, de eerste dag na het weekeinde
    • Maandag is de meest gehate dag van de week. 
     Op maandag - mijn eigenlijke verjaardag - liet ik aan het eind van de middag een uitgetypt kort verhaal op Quicks bureau achter.[2]
     Snelbussen ingezet: Dit weekend worden tussen Groningen en omliggende stations snelbussen ingezet. In de meeste richtingen rijden vanaf maandag weer treinen, maar van 14 juni tot en met 12 juli gaat het station opnieuw dicht. Op de laatste dagen wordt in vrijwel de hele provincie het treinverkeer stilgelegd.[3]
  • Een blauwe maandag.
Een korte tijd.
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[4]

maandag

  1. (tijdrekening)(dag) maandag; een dag van de week, de eerste dag na het weekeinde

maandag

  1. (tijdrekening)(dag) maandag; een dag van de week, de eerste dag na het weekeinde