kerkdag

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kerk·dag
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kerkdag kerkdagen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

kerkdag m [1]

  1. dag dat men gewoonlijk naar de kerk gaat
    • „Ik verwonder me over het werk van Gods Geest zoals ik dat hier in Nepal in de kerk zie. Toen ik in Nepal kwam waren er niet veel kerken. In de afgelopen decennia zijn er heel veel bijgekomen. In onze kerk zijn elke zaterdag (dat is onze kerkdag) wel zo’n twintig tot dertig nieuwe mensen die door hun buren of familie zijn meegenomen en willen weten wie die Jezus is waar hun kennissen het steeds over hebben.” [2] 
  2. een dag die in het teken staat van kerken en kerkgebouwen
    • "We laten jonge mensen een kijkje achter de schermen nemen en laten hen meehelpen", zegt Henrieke Klarenbeek van de Goede Herder Parochie. "Op de open kerkdag schenken zij koffie en thee, ze doen hand en spandiensten bij de kindernevendiensten en het vormselproject. Ook hebben zij een website gemaakt en de boeken van overleden pastor Van Hal in een soort bibliotheeksysteem opgenomen zodat wij de boeken daadwerkelijk kunnen uitlenen." [3] 

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Verwijzingen