trouwdag

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trouw·dag
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord trouwdag trouwdagen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

trouwdag m

  1. de dag waarop men in het huwelijk treedt of getreden is
    • Hij bracht bloemen mee om hun trouwdag te vieren. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.