stagedag

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sta·ge·dag
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stagedag stagedagen
verkleinwoord stagedagje stagedagjes

Zelfstandig naamwoord

stagedag m

  1. een schooldag die je doorbrengt buiten de eigen onderwijsinstelling en dat je meer praktisch werk doet
    • Mijn gedachten gaan terug naar mijn eerste stagedag op een middelbare school. Ik studeerde voor lerares scheikunde. Onno, mijn stagebegeleider en leraar scheikunde, liet mij trots zijn scheikundekabinet zien. Ik zag twee werkende destillatie-opstellingen. ,,Hier maak ik mijn likeur”, zei hij. ,,Een stokerij dus! Mag dat wel?”, vroeg ik. ,,Geen idee”, antwoordde hij. [1] 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC Karin den Heijer 4 oktober 2016