seizoen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sei·zoen
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Franse woord saison.
enkelvoud meervoud
naamwoord seizoen seizoenen
verkleinwoord seizoentje seizoentjes

Zelfstandig naamwoord

seizoen o

  1. (tijdrekening), (eenheid) één van de vier periodes waarin het jaar verdeeld wordt, en gekenmerkt wordt door astronomische en klimatologische eigenschappen
  2. een jaarlijks terugkerende periode
Synoniemen
Hyponiemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie