mandag

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • man·dag
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord mandag mandagen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

mandag m

  1. (bedrijfskunde) hoeveelheid werk die één persoon op één werkdag kan verzetten, eenheid om de omvang van werkzaamheden in uit te drukken
    • De kosten per mandag zijn te hoog geworden. [1]

Gangbaarheid

38 % van de Nederlanders;
28 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Deens

Uitspraak
  • IPA: / ˈmænˀd̥æ /
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse naamwoord mánadagr
Naar frequentie 1960
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   mandag     mandagen     mandage     mandagene  
genitief   mandags     mandagens     mandages     mandagenes  

Zelfstandig naamwoord

mandag, g

  1. maandag


Dagen in het Deens
mandag
maandag
tirsdag
dinsdag
onsdag
woensdag
torsdag
donderdag
fredag
vrijdag
lørdag
zaterdag
søndag
zondag


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • man·dag
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse naamwoord mánadagr
Naar frequentie 1898
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   mandag     mandagen     mandager     mandagene  
genitief   mandags     mandagens     mandagers     mandagenes  

Zelfstandig naamwoord

mandag m

  1. maandag


Dagen in het Noors
mandag
maandag
tirsdag
dinsdag
onsdag
woensdag
torsdag
donderdag
fredag
vrijdag
lørdag
zaterdag
søndag
zondag