Naar inhoud springen

woensdag

Uit WikiWoordenboek
  • woens·dag
enkelvoud meervoud
naamwoord woensdag woensdagen
verkleinwoord woensdagje woensdagjes

dewoensdagm

  1. (tijdrekening), (dag) een dag van de week die na dinsdag en voor donderdag komt
    • Op woensdag hebben leerlingen slechts een halve dag school. 
     Op woensdag was ze er nog niet, maar Pamela en ik hadden het zo druk met de voorbereidingen voor de opening van de tentoonstelling dat ik geen tijd had om bij haar langs te gaan.[3]
     Burgemeester Ron König zegt "buitengewoon trots" te zijn op het team. "Go Ahead Eagles heeft echt voetbal laten zien zoals het hoort te zijn", vindt hij. "Heel Deventer is uitzinnig van blijdschap en terecht! We gaan woensdag het elftal groots onthalen en huldigen."[4]
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[5]
enkelvoud meervoud
naamwoord woensdag woensdagen
verkleinwoord

woensdag

  1. (tijdrekening)(dag) woensdag; een dag van de week die na dinsdag en voor donderdag komt

woensdag

  1. (tijdrekening)(dag) woensdag; een dag van de week die na dinsdag en voor donderdag komt
enkelvoud meervoud
naamwoord woensdag woensdagen / woensdaege
verkleinwoord

woensdag

  1. (tijdrekening)(dag) woensdag; een dag van de week die na dinsdag en voor donderdag komt

woensdag

  1. (tijdrekening)(dag) woensdag; een dag van de week die na dinsdag en voor donderdag komt

woensdag

  1. (tijdrekening)(dag) woensdag; een dag van de week die na dinsdag en voor donderdag komt

woensdag

  1. woensdag


Dagen in het Surinaams
munde
maandag
tudewroko, dinsdag
dinsdag
dridewroko, woensdag
woensdag
fodewroko, donderdag
donderdag
freida
vrijdag
satra, sabat, sabatdei
zaterdag
sonde
zondag

woensdag

  1. (tijdrekening)(dag) woensdag; een dag van de week die na dinsdag en voor donderdag komt

woensdag

  1. (tijdrekening)(dag) woensdag; een dag van de week die na dinsdag en voor donderdag komt

woensdag

  1. (tijdrekening)(dag) woensdag; een dag van de week die na dinsdag en voor donderdag komt