vaardag

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vaar·dag
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord vaardag vaardagen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

vaardag m [1]

  1. dat dat men vaart
    • Neem voor elke vaartocht van huis een vuilniszak of plastic boodschappentassen voor afval mee
      Verzamel daar elke vaardag het boordafval in [2]
       
    • Aan veel boten kun je aflezen dat er omwille van de prijs concessies zijn gedaan aan het materiaalgebruik, de pasvorm en het gebruiksgemak van het dekzeil. Maar goedkoop is vaak duurkoop. Want het is heel vervelend om na een heerlijke vaardag een half uur bezig te moeten zijn met het afdekken van de boot. Of te moeten constateren dat de prachtige sloep er met de buiskap op uitziet als een Pausmobiel. Want een boot ligt vaker stil dan dat deze vaart. [3] 
  2. dag die men nodig heeft om ergens naartoe te varen
  3. dag waarop gevaren kan worden
Synoniemen
Antoniemen

Gangbaarheid

69 % van de Nederlanders;
64 % van de Vlamingen.

Verwijzingen