goedendag

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • goe·den·dag
Woordherkomst en -opbouw
  • > accusatief van een goede dag: eenen goeden dag met het invoegsel -n-

Tussenwerpsel

goedendag

  1. een groet waarbij men iemand toewenst dat de dag goed zal wezen
    • "Goedendag" zei hij wat stijfjes en nam plaats in de treincoupé. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie