gedag

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·dag
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gedag -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

gedag o

  1. (informeel) ~ zeggen iemand begroeten of afscheid van iemand nemen
    • Zou je niet even gedag zeggen tegen oma voor we weggaan? 


Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.

Verwijzingen