feestdag

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • feest·dag
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord feestdag feestdagen
verkleinwoord feestdagje feestdagjes

Zelfstandig naamwoord

feestdag m

  1. dag waarop feest gevierd wordt
  2. jaarlijks terugkerende erkende gedenkdag die gevierd wordt
     En men stelde zich voor hoe de machtige Nicolaas, ieder jaar op zijn feestdag, de duivel in ketenen sloeg en geboeid met zich meevoerde.[1]
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Marijke van Raephorst op Wikipedia “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat op Wikipedia, p. 14