dagdagelijks

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dag·da·ge·lijks
Woordherkomst en -opbouw
  • Het woord is een leenvertaling van het Duitse tagtäglich.
stellend
onverbogen dagdagelijks
verbogen dagdagelijkse
partitief dagdagelijks

Bijvoeglijk naamwoord

dagdagelijks

  1. (België) iedere dag voorkomend
    • De dagdagelijkse beslommeringen begonnen hem te irriteren. 

Bijwoord

dagdagelijks

  1. (België) iedere dag
    • Hij leest dagdagelijks de krant. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

24 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be