dagelijks

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • da·ge·lijks
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘iedere dag’ voor het eerst aangetroffen in 901 [1]
  • afgeleid van dag met het achtervoegsel -lijks met het invoegsel -e- [2]
stellend
onverbogen dagelijks
verbogen dagelijkse
partitief dagelijks

Bijvoeglijk naamwoord

dagelijks

  1. iedere dag voorkomend of benodigd
    • Hoe moeten we anders ons dagelijks brood verdienen? 
  2. gewoon, alledaags
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • het dagelijks bestuur
het bestuur met de algemene leiding
Vertalingen

Bijwoord

dagelijks

  1. iedere dag
    • Hij leest dagelijks de krant. 
  2. als het dag is, bij dag
    • We worden dagelijks en nachtelijks bestookt met woorden, zelfs in de blauwe lucht. [3]
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen