dagelijks

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • da·ge·lijks
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen dagelijks
verbogen dagelijkse
partitief dagelijks

Bijvoeglijk naamwoord

dagelijks

  1. iedere dag voorkomend of benodigd
    Hoe moeten we anders ons dagelijks brood verdienen?
  2. gewoon, alledaags
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • het dagelijks bestuur
het bestuur met de algemene leiding
Vertalingen

Bijwoord

dagelijks

  1. iedere dag
    Hij leest dagelijks de krant.
  2. als het dag is, bij dag
    We worden dagelijks en nachtelijks bestookt met woorden, zelfs in de blauwe lucht.[2]
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Veering, J. Spelenderwijs (zuiver) Nederlands. (1959) H.J.W. Becht's Uitgeversmaatschappij, Amsterdam; p. 44; geraadpleegd 2017-02-24