kalender

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ka·len·der
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kalender kalenders
verkleinwoord kalendertje kalendertjes

Zelfstandig naamwoord

kalender m

  1. (tijdrekening) tabel die de verdeling van het jaar in dagen, weken of jaren aangeeft, evt. met feestdagen enz
    De christelijke kalender, een kalender die tevens de christelijke feestdagen aangeeft.
  2. lijst van de kerkelijke feesten en heiligendagen
  3. (tijdrekening) jaartelling volgens de
    Gregoriaanse kalender.
    Griekse kalender.
    Juliaanse kalender.
  4. gebeurtenissen en activiteiten die volgens een tijdschema gepland zijn
    De politieke kalender.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Overerving en ontlening
Vertalingen

Meer informatie


Indonesisch

Woordafbreking
  • ka·len·der
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

kalender

  1. kalender