maand

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • maand
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: maent
Oudnederlands: mānoth
Germaans: *mēnōþs
Indo-Europees: *mḗh₁n̥s
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: month (Angelsaksisch: mōnaþ), Duits: Monat, (Oudhoogduits: mānod), Fries: moanne (Oudfries: mōnath)
Noord: Zweeds: månad, Deens/Noors: måned, (Nynorsk: månad, Oudnoords: mánaðr), IJslands: mánuður, Faeröers: mánaður
Oost: Gotisch: menoþs
enkelvoud meervoud
naamwoord maand maanden
verkleinwoord maandje maandjes

Zelfstandig naamwoord

maand v/m

  1. (tijdrekening), (eenheid) elk van de twaalf met een eigen naam onderscheiden tijdvakken van 28, 30 of 31 dagen waarin een jaar verdeeld wordt
    • Ik ben geboren in de maand juli. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen


Maanden in het Nederlands
januari februari maart april mei juni juli augustus september oktober november december
Meroniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • de afgelopen maanden
Typische woordcombinaties
  • met drie maanden verlengd
Opmerkingen
  • Alleen de tijdsaanduidingen op -r blijven na een bepaald telwoord in het enkelvoud: drie uur, drie jaar; maar: drie dagen, drie weken, drie maanden.
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Afrikaans

Uitspraak
  • IPA: /mɑːnt/

Zelfstandig naamwoord

maand

  1. maand