bijltjesdag

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bijl·tjes·dag
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bijltjesdag bijltjesdagen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bijltjesdag m [2]

  1. term om aan te geven dat de tijd voor afrekening is gekomen na een periode van onderdrukking, uur van de waarheid, dag van de afrekening
  2. dag dat mensen verslagen worden en de strijd moeten staken
    • Het was sowieso bijltjesdag voor de Nederlandse tennissers in Melbourne. In de tweede ronde van het enkelspel viel het doek voor Kiki Bertens, de nummer negen van de wereldranglijst. [3] 
    • Raymond van Barneveld constateerde na zijn zege tegen Van der Voort dat het op het WK iedere dag bijltjesdag is. [4] 
  3. (figuurlijk) dag dat veel mensen moeten stoppen met een bezigheid
    • Lammertink is in goed gezelschap, hij is niet de enige die de Franse etappekoers vroegtijdig moet verlaten. Vandaag gingen de Nederlandse renners van LottoNL-Jumbo Lars Boom en Dylan Groenewegen al niet meer van start en tijdens de rit gaven Amund Grondahl (ook LottoNL-Jumbo) en Edward Theuns (Team Sunweb) eveneens ziek op Het was bijltjesdag in Parijs-Nice. [5] 

Gangbaarheid

84 % van de Nederlanders;
71 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. bijltjesdag op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Tubantia 16-01-19, Haase na nederlaag tegen Berdych ook klaar in dubbelspel
  4. Tubantia Van Barneveld: Er is vrijdag wat te halen voor mij Max van der Put 28-12-17
  5. Tubantia Ralph Blijlevens 08-03-18 Ook Lammertink ziek uit Parijs-Nice
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be