Naar inhoud springen

vrijdag

Uit WikiWoordenboek
  • vrij·dag
enkelvoud meervoud
naamwoord vrijdag vrijdagen
verkleinwoord vrijdagje vrijdagjes

devrijdagm

  1. (tijdrekening), (dag) dag van de week die na donderdag en voor zaterdag komt
    • Vrijdag ben ik volgens mij vrij. 
     Ze wil vrijdag om elf uur weer met hem afspreken.[4]
     Dachten de tortelduifjes eindelijk het rijk alleen te hebben? De volgende dag, op vrijdag 6 februari, keerde de burgemeester alweer terug.[5]
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[6]

vrijdag

  1. vrijdag