biddag

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bid·dag
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord biddag biddagen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

biddag m [1]

  1. (religie) dag dat men biddend een verzoek richt tot god; tweede woensdag van maart in de protestantse kerken
    • In de NH-kerk aan de Hoofdweg wordt morgenochtend voor de leerlingen van de hoogste groepen van het basisonderwijs een dienst gehouden ter gelegenheid van Biddag voor Gewas en Arbeid. [2] 
    • De protestantse traditie van Biddag (aan het begin van het seizoen) en Dankdag (aan het eind van het seizoen) voor Gewas en Arbeid wordt in Westerhaar nog volop in ere gehouden. [3] 
    • Omdat door de stroomuitval veel winkels de deur eerder dichtdeden, waren veel Urkers naar Emmeloord vertrokken om boodschappen te doen. Woensdag is het namelijk biddag op Urk en dan zijn de winkels dicht. [4] 
    • 'Het is tijd dat we samen bidden voor ons land', zegt Angus Buchan, een christelijke prediker. Zo werd zaterdag 22 april uitgeroepen als nationale biddag. Dat bidden zou niet gewoon thuis of in een kerk gebeuren, maar op een centrale plaats. Niets is meer centraal in Zuid-Afrika dan Bloemfontein. Dus vandaag werd de stad waar ik woon op de kaart gezet als de plek waar honderdduizenden mensen bijeenkwamen om te bidden. [5] 

Gangbaarheid

84 % van de Nederlanders;
68 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen