oktoberdag

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ok·to·ber·dag
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord oktoberdag oktoberdagen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

oktoberdag m [1]

  1. dag in de tiende maand van het jaar
    • Hans Meinders meldt zich altijd al met veel plezier op school, maar een zonnige oktoberdag als maandag maakt dat de adjunct-directeur van de locatie Potskampstraat echt fluitend naar binnenstapt. Een scherm in de hal maakt duidelijk dat er om drie uur ’s middags al 571 kilowatt aan stroom is opgewekt. Verantwoordelijk daarvoor zijn de zonnepanelen die dit voorjaar op het dak van de Carmelschool werden geplaatst. [2] 
    • Met volop zon en geen neerslag, belooft het zaterdag een uitzonderlijk warme nazomerdag te worden. Weerplaza spreekt van een 'zonovergoten dag'. Ter vergelijking: vorig jaar was 13 oktober met ruim 18 graden een stuk kouder. En in 2015 was het op die bewuste oktoberdag slechts 5,3 graden. [3] 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid


Verwijzingen