den

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

De den gebruikt als kerstboom.
Uitspraak
Woordafbreking
  • den
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘boomsoort’ voor het eerst aangetroffen in 1225 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord den dennen
verkleinwoord dennetje dennetjes

Zelfstandig naamwoord

den m

  1. (plantkunde) Pinus op Wikispecies soort naaldboom [3]
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als verbogen vorm lidwoord.

Lidwoord

den [4]

  1. (in vaste uitdrukkingen) accusatief en datief enkelvoud mannelijk en onzijdig (de, het) arch.
    • Op den duur. 
  2. (in Zuid-Nederlandse spreektaal) enkelvoudig mannelijk bepaald lidwoord wanneer eropvolgend woord met een klinker of b, d, h of t begint
    • Den Haag. 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Achterhoeks

Lidwoord

den

  1. de; bepaald lidwoord voor mannelijke naamwoorden
Verwante begrippen


Deens

Uitspraak
Woordafbreking
  • den
Naar frequentie 19

Lidwoord

den, g

  1. de
Verwante begrippen
  • det (onzijdige vorm)
  • de (meervoudsvorm)

Aanwijzend voornaamwoord

den

  1. (3e persoon enkelvoud, mannelijke en vrouwelijke vorm) deze, die, dit

Persoonlijk voornaamwoord

den, g

  1. het
Verwante begrippen
  • det (onzijdige vorm)
  • de (meervoudsvorm)


Duits

Lidwoord

den

  1. de


Engels

Uitspraak
Woordafbreking
  • den
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudengelse woord "denn"
enkelvoud meervoud
den dens

Zelfstandig naamwoord

den

  1. (dierkunde) hol (van een wild dier, b.v. een beer of vos)
  2. (dierkunde) nest (van een wild dier, b.v. een krokodil)
  3. (bouwkunde) woonkamer (als rustpunt)
Synoniemen


Nedersaksisch

Lidwoord

den

  1. de; bepaald lidwoord voor mannelijke naamwoorden
    «Den dokter hef mi'j ezegd da'k minder mot roken.»
    De dokter heeft mij gezegd dat ik minder moet roken.
Synoniemen
Verwante begrippen


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • den
Naar frequentie 21

Lidwoord

den (voor mannelijke en vrouwelijke woorden in het enkelvoud)

  1. de
    «Den grønne bevegelsen startet da millioner av mennesker strømmet ut i gatene i protest mot valgfusk.»
    De groene beweging begon toen miljoenen mensen stroomden in de straten om te protesteren tegen de verkiezingsfraude.
Verwante begrippen
  • det (onzijdige vorm)
  • de (meervoudsvorm)
Uitdrukkingen en gezegden

Olav den hellige

  • Olaf de Heilige.

Aanwijzend voornaamwoord

den

  1. (3e persoon enkelvoud, mannelijke en vrouwelijke vorm) deze, die, dit
    «Den jenta liker jeg.»
    Ik hou van dit meisje.

Persoonlijk voornaamwoord

den m / v

  1. het
Verwante begrippen
  • det (onzijdige vorm)
  • de (meervoudsvorm)
Noorse persoonlijke voornaamwoorden (in het Bokmål)
getal / respect pers. genus / bezield onderwerp (nominatief) nld. voorwerp (accusatief) nld.
enkelvoud 1e   jeg ik meg mij
2e   du jij deg jou
3e m persoon
m ding
han
den
hij han / ham
den
hem
v persoon
v ding
hun
den
zij henne
den
haar
o det het det het
meervoud 1e   vi wij oss ons
2e   dere jullie dere jullie
3e   de zij dem hen
beleefdheidsvorm 2e   De u Dem u



Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • den

Lidwoord

den (voor mannelijke en vrouwelijke woorden in het enkelvoud)

  1. de
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Olav den heilage

  • Olaf de Heilige.

Aanwijzend voornaamwoord

den

  1. (3e persoon enkelvoud, mannelijke en vrouwelijke vorm) deze, die, dit
    «Den saka er klar.»
    Deze zaak is duidelijk.

Persoonlijk voornaamwoord

den m/v

  1. het
Verwante begrippen


Oost-Fries

Lidwoord

den

  1. de; bepaald lidwoord voor mannelijke naamwoorden
Verwante begrippen


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
dar

den

  1. aanvoegende wijs derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van dar
  2. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van dar
vervoeging van
darse

den

  1. aanvoegende wijs derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van darse
  2. gebiedende wijs (ontkennend) derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van darse


Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking
  • den

Zelfstandig naamwoord

den monbezield

  1. (dag)(eenheid)(tijdrekening) dag
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Verwijzingen

Meer informatie


Twents

Lidwoord

den

  1. de; bepaald lidwoord voor mannelijke naamwoorden
Synoniemen
Verwante begrippen