betaaldag

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Betaaldag; De schepenkamer in het Rechthuis te Nieuw-Loosdrecht, gestoffeerd met zeventiende-eeuwse figuren Rijksmuseum SK-A-3640.jpeg
Uitspraak
Woordafbreking
  • be·taal·dag
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord betaaldag betaaldagen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

betaaldag m [1]

  1. de dag waarop men moet betalen
    • De minister benadrukte echter dat "er geen enkele garantie is dat dit ook werkelijk gebeurt". Op 30 december, de laatste betaaldag van 1999, moet nog een bedrag van 12 miljard aan belastinginkomsten binnenkomen. Komt dat bedrag pas begin januari volgend jaar binnen, dan verdwijnt het tekort pas aan het begin van het nieuwe millennium. [2] 
  2. de dag waarop men het loon ontvangt
    • Moederdag is in de jaren twintig in de Verenigde Staten onstaan als een soort 'betaaldag' voor moeders: man en kinderen drukten hun waardering voor de onbetaalde inzet en zorgzaamheid van moeders uit in het geven van cadeautjes. Zeventig jaar later kunnen wij dezelfde reden aanvoeren om Moederdag te vieren: bijna driekwart van het onbetaalde werk in een gezin, waaronder het huishouden en het verzorgen van kinderen vallen, rust op de schouders van moeders. Uit cijfers van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) blijkt dat de verdeling van betaald en niet betaald werk binnen het gezin de afgelopen twintig jaar nauwelijks is veranderd. [3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC 16 december 1999
  3. NRC Kim Wannet 13 mei 1995