betaaldag
Uiterlijk

- be·taal·dag
- samenstelling van betaal ww en dag [1]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | betaaldag | betaaldagen |
| verkleinwoord |
de betaaldag m
- de dag waarop men moet betalen
- De minister benadrukte echter dat "er geen enkele garantie is dat dit ook werkelijk gebeurt". Op 30 december, de laatste betaaldag van 1999, moet nog een bedrag van 12 miljard aan belastinginkomsten binnenkomen. Komt dat bedrag pas begin januari volgend jaar binnen, dan verdwijnt het tekort pas aan het begin van het nieuwe millennium. [2]
- de dag waarop men het loon ontvangt
- Moederdag is in de jaren twintig in de Verenigde Staten onstaan als een soort 'betaaldag' voor moeders: man en kinderen drukten hun waardering voor de onbetaalde inzet en zorgzaamheid van moeders uit in het geven van cadeautjes. Zeventig jaar later kunnen wij dezelfde reden aanvoeren om Moederdag te vieren: bijna driekwart van het onbetaalde werk in een gezin, waaronder het huishouden en het verzorgen van kinderen vallen, rust op de schouders van moeders. Uit cijfers van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) blijkt dat de verdeling van betaald en niet betaald werk binnen het gezin de afgelopen twintig jaar nauwelijks is veranderd. [3]
- Het woord betaaldag staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "betaaldag" herkend door:
| 97 % | van de Nederlanders; |
| 96 % | van de Vlamingen.[4] |
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ NRC 16 december 1999
- ↑ NRC Kim Wannet 13 mei 1995
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 9
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 3 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Samenstelling in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 97 %
- Prevalentie Vlaanderen 96 %