zitdag

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zit·dag
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zitdag zitdagen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

zitdag m [1]

  1. de dag dat de rechter aanwezig is bij een rechtszaak
  2. de dag dat een politicus beschikbaar is om te luisteren naar de persoonlijke verzoeken van burgers
    • Voor de fusie van 1983 was Hancké 12 jaar lang schepen in Berchem. “Als wethouder had ik mijn zakken vol met bierviltjes waarop allerlei kleine dingen stonden genoteerd. Zoals: de openbare verlichting uitgevallen ter hoogte van nummer 28. En dan regelde je dat. Nu houd ik elke maandag vol walging mijn zitdag, waar ik vier uur lang menselijke miserie moet aanhoren terwijl ik de meeste problemen niet kan oplossen.” [2] 
    • Het is in België heel gebruikelijk dat ministers, Kamerleden, burgemeesters, schepenen en andere politici een aantal keren in de maand "zitdagen' houden in verenigingsgebouwen of cafés in hun kiesarrondissement. Daar kunnen burgers terecht voor een gesprek onder vier ogen over hun individuele problemen of wensen. Op die manier worden bijvoorbeeld baantjes vergeven, worden zaken als het uitkeren van bouwpremies en pensioenen geregeld en hoeven dienstplichtigen soms niet al te ver van huis onder de wapens. Ook onder personeelsadvertenties in partijbladen prijkt vaak de naam van een volksvertegenwoordiger als "bemiddelaar'. [3] 
  3. de dag van een veiling
    • De panden van de laatste twee zijn voorlopig toegewezen aan kopers onder recht van een hoger bod. Op één van de twee huizen zou al een hoger bod zijn wat betekent dat er een tweede zitdag moet komen. [4] 
    • Bij een bieding onder gesloten omslag kunt u tijdens een bepaalde termijn een bod doen. Na die termijn worden de omslagen met de biedingen geopend op een zitdag en worden de loten aan de hoogste bieder toegewezen. [5] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

61 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.


Verwijzingen