Naar inhoud springen

zaterdag

Uit WikiWoordenboek
  • za·ter·dag
enkelvoud meervoud
naamwoord zaterdag zaterdagen
verkleinwoord zaterdagje zaterdagjes

dezaterdagm

  1. (tijdrekening), (dag) een dag van de week die na vrijdag en voor zondag komt
    • Zaterdag is de eerste dag van het weekend. 
    • Zaterdag is de dag na vrijdag en voor zondag. 
     Nadat ik me had laten ontvallen dat ik bijna jarig was, vond ik een kaartje op mijn bureau, een uitnodiging om op zaterdag bij haar te komen lunchen.[4]
     'Ik dacht dat we dichter bij elkaar zouden komen', vertelt ze op een zaterdag die we samen op een terras doorbrengen, voor één keer niet omringd of afgeleid door onze kinderen.[5]
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[6]