februaridag

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fe·bru·a·ri·dag
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord februaridag februaridagen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

februaridag m

  1. dag in de tweede maand van het jaar
    • Onder het motto 'beter een jaar te vroeg dan een dag te laat' meldt Joost Posthuma zich op deze koude februaridag bij de organisatoren van de Grand Départ 2017 in Düsseldorf. De ruim 600.000 inwoners tellende stad aan de Rijn rekent op veel bezoekers uit Nederland, die zaterdag 1 juli (proloog) en zondag 2 juli (eerste etappe) de Tour de France van nabij willen volgen. Düsseldorf ligt op slechts 50 km van de Nederlandse grens. [1] 
    • Het meisje werd op een februaridag wakker en merkte dat haar 60-jarige oma niet meer bewoog. Nadat ze met haar blinde grootvader had gepraat, besloot ze naar de buren te wandelen om hulp te halen. Ze nam enkel een doosje lucifers mee, voor het geval ze vuur moest maken onderweg. [2] 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid


Verwijzingen