zondags

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zon·dags
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van zondag met het achtervoegsel -s
stellend
onverbogen zondags
verbogen zondagse
partitief zondags

Bijvoeglijk naamwoord

zondags

  1. (tijdrekening) op de zondag betrekking hebbend
    • Lekker onbezorgd een zondags terrasje doen in Leuven! 

Bijwoord

zondags

  1. (tijdrekening) op zondagen
    • We gaan zondags meestal winkelen. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.