eeuw

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • eeuw
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: ewe, eeu
Oudnederlands: ēwa ‘eeuwigheid, wet’
Germaans: *aiwō (coll.)
Indo-Europees: *h₂éi̯us ‘lange tijd’
  • Verwant in Germaans:
West: Duits: Ehe ‘huwelijk’ (Oudhoogduits: ēwa ‘wet’), Oudengels: ǣ(w) ‘wet’, Fries: ieu (Oudfries: ēwe)
Noord: Noors: æva ‘lange tijd’ (Oudnoords: ævi)
Oost: Gotisch: aiws ‘lange tijd’
  • Verwant in Indo-Europees:
Iers: aois ‘leeftijd’, Latijn: ævum ‘tijdperk, eeuwigheid’, Oudgrieks: aiṓn (αἰών) ‘levensduur’
enkelvoud meervoud
naamwoord eeuw eeuwen
verkleinwoord eeuwtje eeuwtjes

Zelfstandig naamwoord

eeuw v/m [1]

  1. (tijdrekening), (eenheid) een periode van 100 jaar
    • Op 1 januari 2001 begon de 21e eeuw. 
  2. iets wat zeer lang duurt
    • Het duurde eeuwen voordat de vrouwen eindelijk klaar waren met het telefoongesprek. 
Synoniemen
Meroniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen