paasdag

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • paas·dag
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord paasdag paasdagen
verkleinwoord paasdagje paasdagjes

Zelfstandig naamwoord

paasdag m

  1. (religie) een van de twee dagen van het paasfeest, paaszondag of paasmaandag
    • De tweede paasdag is een officiële vrije dag. 
Hyponiemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be