paasdag
Uiterlijk
- paas·dag
- samenstelling van paas en dag
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | paasdag | paasdagen |
| verkleinwoord | paasdagje | paasdagjes |
de paasdag m
- (religie) een van de twee dagen van het paasfeest, paaszondag of paasmaandag
- De tweede paasdag is een officiële vrije dag.
- ▸ Op Eerste Paasdag had ik in Rome de eer om paus Franciscus te ontmoeten. Een heel bijzonder moment. En zojuist bereikte ons het verdrietige nieuws dat hij is overleden. Mijn gedachten zijn bij allen die geraakt zijn door zijn overlijden.[1]
1. een van de twee dagen van het paasfeest, paaszondag of paasmaandag
- Het woord paasdag staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "paasdag" herkend door:
| 98 % | van de Nederlanders; |
| 95 % | van de Vlamingen.[2] |
- ↑
Weblink bron “Bedroefde reacties op dood van paus: 'Miljoenen mensen geïnspireerd'” (21 april 2025), NOS - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be