meidag

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mei·dag
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord meidag meidagen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

meidag m [1]

  1. een dag in de maand mei
    • Op de fatale meidag een decennium geleden werd door explosies op het terrein van vuurwerkopslagplaats S.E. Fireworks de wijk goeddeels weggevaagd en vielen 23 doden en bijna duizend gewonden. [2] 
    • Wie de grens overgaat hoeft niet te vrezen voor verkeersdrukte. In de ons omringende landen is er geen schoolvakantie. Alleen op 1 mei, de Dag van de Arbeid, is het drukker dan normaal. De eerste meidag is in vrijwel heel Europa een feestdag. [3] 
Hyperoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.

Verwijzingen