aprildag

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • april·dag
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aprildag aprildagen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

aprildag m [1]

  1. dag in de vierde maand van het jaar
    • Warmste aprildag ooit: Half april en hitte alom. Het KNMI schreef records in de boeken. In De Bilt werd gisteren een temperatuur van boven de 28,9 graden waar genomen, waarmee de warmste dag van april uit 1968 werd overtroffen. [2] 
    • Zomerse taferelen op Schiphol. De luchthaven kreeg ruim 170.000 passagiers op bezoek en beleefde daarmee vrijdag de drukste aprildag uit haar historie. Gezinnen grijpen de lange meivakantie aan voor een vliegreis naar de zon. [3] 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen